Damsterdiep 10 9711 SK Groningen
+31 (0)6 415 00 532
karlijn@dochterdejonge.nl

Klein wonen met zo weinig mogelijk spullen, is dat nou modieuze luxe of bittere noodzaak?

Marie kondo consultant

Minimalisten pleiten voor ontspullen en kleiner wonen. Gaat het hier om een luxe lifestyle van rijkelui die slechts flirten met armoe en eenvoud? Of is het dé oplossing voor millennials die zich geen groot huis en luxe spullen kunnen veroorloven?

 

Toen ik vorig jaar in gedachten mijn appartement stond te minimaliseren, zag ik het helemaal voor me: hoe groot het zou voelen, hoe licht en ruim. Het zou een loft worden waarin ik alles zó terug kon vinden, een geordende en overzichtelijke sereniteit. Symbool van een opgeruimd en gebalanceerd leven. Mocht ik me vroeger weleens hebben afgevraagd of mijn huis niet aan de kleine kant was, straks zouden deze 74 vierkante meters eerder te veel dan te weinig blijken voor een gezin van drie.

Ik had net voor Volkskrant Magazine Fumio Sasaki geïnterviewd, een Japanse hoarder die hardcore-minimalist was geworden en die woonde op 20 vierkante meter met slechts driehonderd bezittingen (klinkt veel, is weinig). De ontspultrend was tot dan toe aan mij voorbijgegaan. Ik wist van Marie Kondo — Spark Joy en zo — maar had haar opruimboeken niet gelezen. Ik achtte mezelf niet aan spullen gehecht en de openingszin van Sasaki’s boek Vaarwel spullen (Lev., 2017), ‘van minder bezitten word je gelukkig’, leek mij tamelijk hyperbolisch.

 

Maar toen las ik het boek en sprak ik de man. Sasaki legde het zo uit: ‘Onze spullen zijn net kamergenoten, zij het dat wij hun huur betalen.’ En hij maakte een rekensommetje aan de hand van de huur:  maandelijks betaalde hij 25 euro per vierkante meter. Zou hij een ladekast van 1 vierkante meter kopen met 20 euro korting, dan was die winst in een maand weggevaagd door de ruimte die het ding in beslag nam. Hoe minder spullen, hoe meer betaalbare leefruimte.

Zijn tolk, een vriendelijke Japans-Amerikaanse genaamd Rieko Yamanaka, vertelde de anekdote die me over de streep trok. Zij had Sasaki’s boek ontdekt in een Japanse boekwinkel in New York, waar ze woont (haar man, redacteur bij een grote Amerikaanse uitgever, verzorgde de Engelstalige uitgave). Yamanaka en haar man hadden toen al Marie Kondo’s opruimmethode doorlopen en de helft van de spullen in hun appartement van 46 vierkante meter weggedaan. Dankzij Sasaki’s boek ging daar nog eens de helft vanaf.

‘Onze fundamentele opvattingen over het leven zijn veranderd sinds we Fumio’s boek hebben gelezen’, zei ze. Sparen voor een loeidure condo in New York, waar ze tot dan toe op waren gericht, hoefde niet meer. Hun geminimaliseerde huis leidde tot een gemaximaliseerde work-life balance. Een paar maanden na het verschijnen van Goodbye, Things (vertaald als Vaarwel spullen), nam Yamanaka’s man ontslag en begon hij voor zichzelf als literair agent. ‘Nu werkt hij vanuit huis, bakt hij elk weekend brood en is hij helemaal gelukkig.’

 

©Claudie de Cleen

Dus trok ik op een zaterdagochtend ook maar eens een la open en stopte ik de helft van de inhoud in een vuilniszak. Ik deed hetzelfde bij nog een la, de hele kast, de volgende kast. Natuurlijk had ik veel meer zooi dan ik dacht, maar blijkbaar hoefde ik maar een boekje over minimalisme in te kijken om te besluiten dat ik al die spullen niet nodig heb. De rest van het gezin was makkelijk over te halen om mee te doen: de een groot liefhebber van weggooien, de ander pas een jaar oud en niet echt in staat een weerwoord te formuleren. Zaterdagavond wiebelden de houten hangers in mijn kledingkast verloren tegen elkaar aan, hun truien, bloezen, jurken en jasjes op weg naar de kledingcontainer. Op zondag klommen we over de vuilniszakken met misbaar goed en waadden we door de op de vloer uitgestalde kastinhoud.

Stoppen kon niet meer, het minimalisme zou voorlopig alle weekeinden opslokken. We wogen de opbrengst: eerst 20 kilo, toen 40, 80, 200. Mocht het minimalisme ons appartement niet groter maken, dan werd de volgende verhuizing in elk geval een makkie.

 

Ruimer huis

Ik werd er nogal blij van – het idee van het ruimere huis, de betere levensbalans, de kleinere ecologische voetafdruk: wat een hoop antwoorden op hedendaagse problemen! Ik predikte het minimalisme-evangelie tegen wie ik maar sprak. Steeds weer vertelde ik het verhaal over tolk Yamanaka en haar broodbakkende echtgenoot.

Toen mailde een vriend me een artikel over ‘de gentrificatie van armoede’. Het was een stuk in The New Republic over de populariteit van ‘rauw water’ — onbehandeld water, zonder chemicaliën. In Silicon Valley leggen rijke gezondheidsgekken 3,70 dollar neer voor een liter ongefilterd water, terwijl er een paar staten verder, in Alabama, kort geleden nog een uitbraak was van een parasitaire draadworm omdat veel mensen daar zich geen gefilterd water kunnen veroorloven. Degenen die vrijwillig ongefilterd water drinken, stelt de journalist, ‘doen de ontberingen van arme mensen na, en ontdoen die van hun associatie met armoede. (…) Rauw water is een manier om die armoede te gentrificeren.’

Dat is een beetje een ingewikkelde stelling, want gentrificatie is een theorie over stedelijke ontwikkeling, over hoe rijken een buurt onbewoonbaar maken voor de oorspronkelijke bewoners. Het is natuurlijk niet zo dat als een welgestelde ict’er rauw water drinkt hij ongefilterd water onthoudt aan arme mensen. De term is overdrachtelijk bedoeld: rijkelui maken zich elementen uit het leven van armelui eigen, in het kader van een luxe lifestyle.

 

©Claudie de Cleen

Dat doen ze een beetje als de Franse luxekoningin Marie Antoinette, over wie  wordt verteld dat ze graag deed alsof ze een simpel boerenmeisje was. Terwijl haar volk honger leed, liet ze binnen de paleismuren een Frans plattelandsdorpje nabouwen, waarin ze in ‘rustieke’ kledij ronddartelde zoals ze dacht dat arme boerinnetjes dat deden.

 

Zo’n idee van ‘armoedegentrificatie’ is toepasbaar op al het quasi-primitieve leven dat nu hip is. Het #vanlife van Instagram gaat niet over mensen die noodgedwongen in een busje wonen, maar toont romantisch ingerichte busjes met schattige bloempotjes, een kano op het dak en een mountainbike op de fietsendrager. Opengeslagen deuren bieden zicht op exotische landschappen. Dit busjesleven is een luxe leven, een gekozen leven. Net als het bewonen van een tiny house. Het is wel klein, maar ook sexy, en de aankoopprijs van zo’n minihuisje begint bij een toch nog stevige 50 duizend euro.

Toen de Amerikaanse luxesupermarkt Whole Foods chopped cheese sandwiches ging verkopen, een ‘specialiteit uit de Bronx met gehakt en kaas’, werd dat voedselgentrificatie genoemd: waarom moest een broodje van doorgaans 4 dollar opeens het dubbele kosten? Hetzelfde etiket werd geplakt op de verhipping van een eenvoudige groente als boerenkool. Het is wellicht minder problematisch dan een buurt die wordt overgenomen door durfkapitalisten, maar het heeft iets vervelends. Omdat het gaat om eenvoud, of armoede, als gekozen lifestyle.

En dan is er nog het fenomeen begpacking (samentrekking van begging en backpacking). Vooral in Zuidoost-Azië schijnen backpackers er een sport van te maken om te reizen zonder geld en medereizigers en lokale bewoners te vragen om hulp, gratis eten en slaapplaatsen. De #begpacker is een bekende verschijning op sociale media, met plaatjes van groezelige westerse straatartiesten die wedijveren met locals om het kleingeld van andere toeristen.

Tsja, daarvan zie ik ook wel het probleem.

Boerinnetje spelen

Toch vind ik het moeilijk mijn minimalistische neigingen te zien als boerinnetje spelen op z’n Marie Antoinettes. Vierkante meters zijn duur voor mijn generatie. We hebben een kleinere beurs en een onzekerder bestaan dan onze voorgangers. Voor velen van ons is de koopwoningmarkt onbereikbaar. Voor starterswoningen zijn de rijen lang en is de concurrentie moordend – met name de concurrentie van particuliere beleggers, die huizen voor hoge prijzen verhuren aan van de markt gespeelde potentiële kopers.

Aldus is het nieuwe wonen krap wonen. Denk aan de Amsterdamse woninkjes van 20 vierkante meter die  voor twee ton van eigenaar wisselen. Het tiny huisje van 26 vierkante meter in Almere dat eind november voor bijna anderhalve ton werd verkocht. Voldoende leefruimte wordt steeds meer een voorrecht.

 

©Claudie de Cleen

Al blijft voldoende een relatief begrip. Voor Fumio Sasaki is 20 vierkante meter voldoende. Een opluchting zelfs, verlost als hij is van de last der spullen. Ook de poster boys van het minimalisme, Joshua Fields Millburn en Ryan Nicodemus, bekend als The Minimalists en onderwerp van de Netflix-documentaire Minimalism, zien ‘zo weinig mogelijk’ als ‘ruim genoeg’. In hun in 2018 verschenen zakboekje – het moest wel mini blijven – propageren ze een afkeer van overvloed. Inclusief dieetvoorschriften, trainingsprogramma’s, relatieadvies en een hoofdstuk over de betekenis van het leven.

Millburn en Nicodemus zou je nog wel van armoede-gentrificatie kunnen beschuldigen. Ze ruilden een leven met een zescijferig inkomen en een ongeveer even grote schuld (more money, more problems) in voor een bestaan zonder beide. Ze verkozen eenvoud als lifestyle en verdienen nu goed geld met het verkopen van hun verhaal.

Daar zitten de beste bedoelingen achter, maar hun boek maakt ook het verschil duidelijk tussen eenvoudig kunnen leven en eenvoudig moeten leven. Zo beschrijven de mannen hoe ze zich ontdeden van hun schulden: ‘elke extra cent’ die ze verdienden, ging naar afbetalingen, ze onthielden zich van luxe etentjes en tripjes, namen bijbaantjes. Deze ‘ontberingen’ kennen veel mensen al zonder dat ze daarmee van hun studie- of hypotheekschuld afkomen. Het minimalisme van Millburn en Nicodemus is een luxeproduct.

Wat niet wegneemt dat het minimalisme een nodige tegenbeweging is voor het hedendaagse materialisme en goed is voor het milieu, de wereld en waarschijnlijk voor jezelf. Het is modern, cool en aantrekkelijk. De minimalistische huizen die op sociale media circuleren, ogen licht en sereen, met glimmende parketvloeren en designmeubels. Het zijn ingenieuze om- en uitklapbare appartementen, met  bedden die je uit de muur trekt en bewoners die weten dat ‘een kleine ruimte eigenlijk zo logisch is.’

Een aantrekkelijk concept dus, dat een achterliggend probleem verhult. Als wonen exorbitant duur wordt, kun je je afvragen of minimalisme wel een keuze is. ‘Kan de stedelijke middenklasse het zich straks nog wel veroorloven om anders dan minimalistisch te wonen?’, vroeg ik Fumio Sasaki. ‘Misschien niet’, zei hij, maar het leek hem een mooie kans de voordelen te ontdekken van een kleine ruimte. ‘Zoveel makkelijker schoon te houden, zoveel makkelijker te onderhouden.’ Heilzaam, meende hij.

Een jaar na onze minimaliseringsslag zit ik op het bed in de kinderkamer en denk ik aan Sasaki, terwijl ik me probeer voor te stellen hoe hier straks twee kinderen in moeten passen in plaats van één – want dat moet straks – en ik denk aan alle spullen die niet weg kunnen, alle spullen die erbij komen. En of dit huis dan nog steeds groot zal kunnen voelen, en licht en ruim. Schoon en makkelijk te onderhouden? Heilzaam?

Nou ja, als het niet groter kan, dan moeten we het zo maar zien.

Kelli van der Waals 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *